de hemel boven het paleis van de kalief van bagdad was vol sterren en de maan scheen helder en daarom wandelde de kalief, die de slaap niet kon vatten door al dit schoons, in een der vele boomgaarden die zijn paleistuin rijk was. hij hoopte aldus enig verkoeling en verstrooiing te vinden om zo beter door de slaap verrast te kunnen worden. plotseling hoorde hij een stem uit een boom die wat afzijdig stond van de anderen. 'fatima, hier ben ik!' de kalief keek verbaasd om zich heen tot hij de jongeman die hem bij de naam fatima had aangeroepen ontwaarde. de jongeman snelde op hem toe en omhelsde hem. de kalief was verbouwereerd, zo vaak werd hij in zijn functie niet door slecht geschoren jongemannen op de mond gekust. 'fatima!', sprak de jongen. 'hoe heerlijk is het jouw bevallige vormen in mijn sterke zeemansarmen te voelen' waarbij hij de kalief van opwinding stevig in beide wangen kneep. pas toen bemerkte hij zijn vreselijke vergissing. 'maar, u, u bent fatima niet' stamelde de jongeman. 'wie is u, waar is fatima?' de kalief begreep nu dat hij voor een ander werd aangezien. 'jongmens, als je me vertelt hoe je hier zo te recht bent gekomen in de tuinen van de kalief, de grootste mens op deze aarde, de meest verlichte man, heerser van bagdad - en dat wil wat zeggen in deze tijden - vergeef ik je je onbetamelijke gedrag.' hij verzweeg wijselijk zijn ware identiteit opdat de jongen zich uit verlegenheid niet zou verstillen. 'oh heer, verraadt mij niet!' de jongen viel op zijn kniee n en kuste de slippen van de kaftan van de kalief en ook diens re chter grote teen. 'verraadt mij niet oh heer ik ben slechts een eenvoudige zeeman, ik heb mijn hart verloren aan een dienstmaagd uit het paleis en als men mij zou vinden en gevangennemen zie ik haar nooit meer terug!' de kalief gebaarde de jongeman weer op te staan en sprak: 'wees maar niet bang. misdaad noch zonde is nog begaan. maar vertel me uw naam en waar u vandaan bent gekomen, uw kleding verraadt dat u een lange reis heeft gemaakt voordat u uwzelve hier vond, en hoe u fatima hebt leren kennen, want het is toch algemeen bekend dat niemand toegang heeft tot de vrouwen in dienst van kalief h, zelfs de minste dienstmaagd of schoonmaakster of vouwmeisje wordt elk uur van de dag door des kaliefs wachters bewaakt.' 'oh heer!, uw schrandere woorden vliegen als vogels recht gewiek t strak op hun doel af, hoe gij mij doorziet, ik ben met stomheid geslagen! herman is mijn naam maar men noemt mij hier te lande almansur. van het frankische land kom ik, de noorderwind bracht mij na een barre tocht van vele jaren in uw prachtige stad die men alom prijzen hoort. vijf lange jaren geleden is fatima mij als vrouw beloofd. haar oom giroidas, een rijke griekse koopman. maar o gruwel, op een pleziervaart met tal hare vriendinnen, werd haar schip overallen door roofzuchtige moren en werd zij als slavin verkocht.' hier onderbrak de kalief het verhaal van almansur. 'heb je nog meer vrienden bij je die dat geruis daar in de struiken en onder de oude mangabomen veroorzaken?' 'neen heer, ik ben hier geheel alleen gekomen.' 'wie zijn het dan die dat geluid veroorzaakten wat ik zoëven hoorde? hoor! daar is het weer!' en nu hoorde ook almansur het vreemdsoortige geluid. de kalief vroeg daarop aan de jongen: 'wilt u uw kalief ten dienste zijn? volgt mij dan en laat ons uitvinden wat dat geluid te betekenen heeft'. de twee mannen slopen nu voorzichtig naar het struikgewas waar zo ven nog een ijselijke schreeuw had weerklonken. een reusachtige steenarend sloeg nutteloos zijn krachtige vleugels door het duistere zwerk, zijn poten aan een tak gebonden, de ogen door een leren kap bedekt. voorzichtig naderde de kalief het gebonden wezen dat zo weeklagend om hulp had geroepen. de mannen verwonderden zich over het formaat van het dier dat zeker vier malen de grootste vogel die de kalief ooit gezien had overtrof