trap
De pleinen van Eindhoven

Bij dezen wil ik mijn waardering uitspreken voor het initiatief dat de Gemeente Eindhoven, de BNA en het Architectuurcentrum Eindhoven (ACE) genomen hebben tot de prijsvraag voor het Wilhelminaplein en tot de discussie over de pleinen van Eindhoven, die we vanmiddag gaan houden. Toen ik bezig was deze lezing voor te bereiden heb ik met stijgende interesse kennis genomen van de discussies over de pleinen in deze stad. Het was mij een waar genoegen om het boek met prijsvraagontwerpen voor het Wilhelminaplein te raadplegen, waar nog bij komt dat ik het plein al redelijk goed ken door overnachtingen in Hotel De Bengel.

Ik heb bewondering voor diegenen die de uitdaging zijn aangegaan. Vormgeven aan de openbare ruimte lijkt me een lastig karwei. Steeds weer verbaas ik me over de inventiviteit van de ontwerpers en de nieuwe vormen van schoonheid die ze weten te fabiceren.

De opzet van het debat zadelt mij als inleider echter op met een probleem. Het denken over pleinen en openbare ruimte lijkt volledig dichtgetimmerd te zijn: in het begeleidende boek schetst Aaron Betsky de contouren van de huidige architectonische inzetten, de jury ontwikkelt de criteria voor de beoordeling van de prijsvraag en Piet Beekman en Jan Spoorenberg beschrijven de historische condities ervan. Straks zullen enkele ontwerpers hun plannen toelichten.

Daarna zult u, deskundig als u bent met betrekking tot de situatie en de architectonische cultuur in Eindhoven de kwaliteit van diverse pleinontwerpen binnen en buiten de prijsvraag onderwerpen aan uw scherpzinnige oordeel. Wat blijft er voor mij als inleider en denker van buitenaf eigenlijk nog over om te doen?

Na zorgvuldig beraad heb ik er voor gekozen om in te grijpen in het gedachtegoed, discours zegt men tegenwoordig graag, of anders gezegd: de matrix van begrippen die de ontwerpen en de reële pleinen doorkruist en dooradert met betekenis en zin. Haaks op de debatten over de schoonheid en de functie van de ontwerpen wil ik u confrtonteren met een verontrustende hypothese over de nabije toekomst van de openbare ruimte in Eindhoven. Misschien draagt deze these, juist vanwege haar dwarsheid en haar theoretische uitdaging, er toe bij om de ambities van diverse actoren in de openbare ruimte op scherp te stellen, zoals de organisatie dit graag zou willen.

 

De these:

De openbare ruimte (van Eindhoven) wordt in toenemende mate de plaats, waar onbestemde en onder een gesimuleerde interesse sluimerende nervositeiten en allergieën plotseling kunnen kristalliseren tot de acting out van een onbestemde aversie.

 

Dankzij onze lichtgelovigheid absorberen we alles wat zich voordoet aan prikkels en stimuli als in een reflex, terwijl we tevens aan deze prikkels en stimuli geloven. Tegelijkertijd staan we uiterst wantrouwend en afwijzend tegenover de consensus en het door reflexen beheerste groepsgedrag dat daaruit voortkomt. Zoals de lijfeigenen niet geloofden dat ze het product waren van Gods genade, netzomin geloven wij in de genade van wat op ons af komt en ons wordt voorgehouden. Maar we doen wel alsof we het geloven. Volgens deze regels wordt het spel gespeeld tussen de objecten van de architectuur en de gebruikers ervan. Achter een façade van gelaten acceptatie groeit een gigantisch ongeloof, dat gepaard gaat met de heimelijke afkoeling van het gevoel nog bij de maatschappij te horen. De consument en de gebruiker hebben alle kenmerken van een balans die op het punt staat om door te slaan. Terwijl ze onverschillig toegeven aan de prikkels van de koude verleiding en de fascinatie waarmee de architectuur gedwongen is te opereren, groeien aan de keerzijde daarvan de negatieve passies, die allemaal hun bron hebben in niets anders dan deze onverschilligheid zelf. Omdat deze passies niet gericht zijn op een reëel object, vormen ze een virtuele Ander. Door dit kenmerk kunnen ze uitkristalliseren tot wat dan ook en gericht zijn op wat dan ook. 

We hebben te maken met een stedelijke cultuur die steeds meer de kenmerken gaat vertonen van het slaapwandelen: ad fundum zijn we in de openbare ruimte afwezig voor elkaar en zijn we zonder betekenis. Steeds minder kennen we nog een verantwoordelijkheid. We zijn verstrooit en ontzenuwd. Misschien dat de oogzenuw nog intact is, maar desondanks beschouwen we de producten van de architectuur achteloos en zonder gevoel.

Gehaast doorlopen we onze eigen omloopbaan, opgesloten in onze eigen bel, of de bel van onze subcultuur, alsof we een satelliet in de leegte zijn. De bel van de stedelijke cultuur als geheel is al jaren geleden uiteengespat in vele werelden, microcellulaire eenheden van zin, een muticultureel schuim dat het grondgebied van de stad bedekt. 

Deze toestand vindt zijn voedingsbodem in een allergie voor de maatschappij als geheel die huist in ieder van ons. We herkennen deze allergie aan een zekere nervositeit, die niets anders is als de uitgeputte neerslag van een rebelse hartstocht zonder doel: een allergie zonder allergeen. De allergie heeft met de nervositeit gemeen dat ze een onbepaalde vorm van afweer is. Ze komt van binnenuit en is hoogstwaarschijnlijk niets anders dan de manifestatie van een geblokkeerde passie.

Nervositeit en allergie, die geboren worden uit de onverschilligheid, vinden hun toppunt in de pure aversie. Een pure aversie is een aversie zonder object. Daarom is ze ook volslagen zinloos. Maar de aversie is wel een passie die voortduurt na de verwijdering van haar object en die zich met die verwijdering voedt. Deze aversie-zonder-object heeft veel weg van een soort potentie, een soort sluimerende energie.

Het ziet er naar uit, dat deze aversie-zonder-object de belangrijkste passie in onze stedelijke openbare ruimte aan het worden is. Aversie, afschuw, afwending, afweer en afwijzing: men weet niet meer wat men wil, maar men weet heel precies wat men niet wil. Deze nieuwe vorm van aversie ontstaat niet door een tekortschieten van de architectuur, maar uit de gevoelsarmoede en de emotionele ontoegankelijkheid van de stedelijke politiek en de afkoeling van gevoelens van de mensen voor elkaar binnen de menigte die de openbare ruimte bevolkt.

Deze pure en radicale aversie kan niet georganiseerd en ingelijfd worden in de modellen van de inspraak en de medezeggenschap. Dat we er in zouden kunnen slagen om een aanspreekbare belangengroep in het leven te roepen van hen die lijden aan aversie is niet waarschijnlijk. We moeten daaruit concluderen dat de aversie zich ophoopt in onderling geïsoleerde lichamen. Soms overschrijdt ze door spontane klontering een kritisch punt en kristalliseert ze tot een zinloze acting out van haat.

Het is niet ondenkbaar dat dit proces het gevolg is van de programmering van een stedelijk systeem, dat er naar tendeert om alle facetten van het leven te gaan gaat bestrijken en alle ruimten in beslag te gaan nemen. Het steeds meer voorkomen van deze acting out van haat en afwijzing waarschuwt ons ervoor niet te ver te gaan met de rationalisering van de stad. Misschien dient het wel om ons erop te attenderen dat ‘buitenarchitectonische’ ruimten, braakliggende terreinen, ‘wild spaces’, waarvan de onbestemdheid ons toestaat om er een persoonlijke - symbolische - relatie mee op te bouwen, zoals bijvoorbeeld de boeren dat gekend hebben toen zij nog emotioneel investeerden in hun erf, noodzakelijk zijn.

 

Aan wat ik hier te berde breng hoort u natuurlijk, dat ik de ‘theorie’ van de openbare ruimte die Aaron Betsky uiteenzet in zijn essay ‘De mogelijkheden van de openbare ruimte in Eindhoven, op zoek naar leegte’ in het boekje over de prijsvraag voor het Wilhelminaplein, niet klakkeloos accepteer. Ik kan en wil haar echter ook niet weerleggen. Ik geef er de voorkeur aan om zijn uiteenzetting te besmetten door er een andere, of mijn eigen matrix van begrippen en denkbeelden naast te zetten.

Betsky legt de nadruk op vier facetten van de openbare ruimte, nl.

de objectmatigheid,

de leegte,

het goede functioneren en

het karakter ervan.

Hij hecht er waarde aan dat de openbare ruimte een absolute leegte is, waarin wij onszelf, onze medemensen en onze stad kunnen herkennen. De constateringen van Betsky worden al dan niet bewust gedeeld door vele deelnemers aan de prijsvraag en zeker door de jury, die er haar beoordelingscriteria uit lijkt te hebben afgeleid. Daarom lijkt hij denkbeelden te verwoorden die door velen worden onderschreven.

Betsky brengt met name de leegte van de openbare ruimte naar voren als een zinvol en kritisch element binnen een stedelijkheid die ertoe leidt dat wij onszelf verliezen in haar chaosmos. Tegelijkertijd echter neemt hij in zijn pleidooi afscheid van het ideaal dat de openbare ruimte opvat als constituent van de stedelijke gemeenschap, als de ruimte van de democratie, de handel en de consumptie, zoals die gestalte kreeg in de 19e eeuw. Hij sluit aan bij tendensen in de architectuur die de stad willen zien als een groot gemeenschappelijk goed en die een openbare ruimte zoeken die kan functioneren als alternatief voor de consumptie- en monumentenstad van de middenklasse.

Tegenover het idee van een stelsel van aaneengesloten assen en pleinen, uitgerust met winkels, horecavoorzieningen, parken en monumenten, plaatst Betsky een ‘objectmatige’ ruimte die multifunctioneel is, voornamelijk leeg is en die getuigt van een eigen karakter, al dan niet ingegeven door de geografische situatie. Tegenover het ideaal van democratie en gemeenschap plaatst Betsky een ruimte die zijn brandpunt heeft in de functie de mensen tot zichzelf te laten komen.

Bij dit denkbeeld wil ik enkele kanttekeningen plaatsen, waarbij ik put uit de inzichten die ik ontwikkeld heb in mijn proefschrift[1]:

Ongetwijfeld is de openbare ruimte zoals wij haar kennen en behandelen tot nu toe het typische product geweest van het burgerlijke denken over de stad. Onze visie stamt uit de 19e eeuw, daarbij inbegrepen de historiserende belangstelling die men in die tijd had voor de pleinen en de straten van de Oudheid, de Renaissance en de Barok. Het is echter van meer belang om te zien dat de openbare ruimte sinds de negentiende eeuw in eerste instantie een INSTITUTIE is, d.w.z. een stilzwijgend geaccepteerd orgaan van een democratische staat.

De Duitse denker Arnold Gehlen zag in de instituties de schalen en het pantser die het weekdier mens een houvast geven wanneer zijn innerlijke pathos tekortschiet om zich in de wereld te kunnen handhaven. 'Een duurzame verhouding tot zichzelf en zijnsgelijken kan de mens alleen indirect handhaven, hij moet zichzelf via een omweg, door afstand van zichzelf te nemen, terugvinden, en daar bevinden zich de instituties'. Volgens Gehlen zijn de instituties vormen, ´waarin het zielenleven - een ook in zijn grootst mogelijke rijkdom en pathos instabiel, onduleus materiaal - wordt verzakelijkt en verweven raakt met de loop der dingen en juist alleen op die manier verduurzaamd wordt.' De instituties verschaffen een soort zekerheid, waardoor de burger niet in een wervelende poel van vragen en problemen ten onder gaat. Kern van de institutie is de handeling. Door handelingen verzakelijkt de burger zichzelf en vermenselijkt hij de dingen. Handelingen stollen in instituties en krijgen daardoor een regelmatig verloop. Het worden automatismen, wat niet alleen energie, maar ook lastige eigen initiatieven uitspaart.

De openbare ruimte is een complex samengestelde institutie. Primair is ze een niet vertooglijke gemeenschappelijkheid. De straat en het plein, het park, het open veld en het water in de stad zijn evidente gemeenschappelijkheden, ook als er niet over hen gesproken wordt. In tegenstelling tot de woeste grond echter die ook een niet vertooglijke gemeenschappelijkheid kan zijn, hoort bij de openbare ruimte een bepaalde vorm van gedrag. Het bij elkaar passen van de vorm van de ruimte en de aard van het gedrag zorgt ervoor dat de moderne openbare ruimte, zoals ze ontstaan is in de negentiende eeuw, een ‘waarheid’ kent: wat vanzelfsprekend is, dat is waar. Kenmerkend voor 'waarheid' is de overeenstemming van twee termen in een structuur. De waarheid is in filosofisch opzicht altijd een adequatio, een bij elkaar 'passen' van twee verschillende elementen. De structuur van de 'waarheid' van de moderne openbare ruimte is echter niet de representatie, zoals meestal het geval is. Er is geen sprake van representatie van een zaak in een teken of een uitspraak. Ook is de openbare ruimte niet de verschijningsvorm of het teken op aarde van een hoger idee. Kortom de waarheid van de openbare ruimte kan niet uitgesproken worden in een theorie die de zichtbare vorm verdubbelt met een betekenende uitspraak van het type: dit is dat.

Er is wat anders aan de hand. Kenmerk van de moderne, democratische openbare ruimte is juist, dat ze permanent onderworpen wordt aan doelmatigheidscriteria, aan beschouwingen over vorm en gebruik, waardoor er uiteindelijk een combinatie gaat ontstaan van een ruimtelijke vorm en menselijk gedrag die bij elkaar passen. Zowel de ruimte als het gedrag worden gestaag, maar ook permanent op elkaar afgestemd en geünificeerd. Deze afstemming vindt niet alleen plaats door een manipulatie van de vorm van de openbare ruimte, maar ook door een veelheid van externe factoren, die we tesamen kunnen opvatten als processen van verstatelijking, of als processen van institutionalisering. Niet een vorstelijke betekenisgeving, noch een politiek decreet, zoals het geval was in de Barok, maar een golf van ‘ingenieurende’ maatregelen moduleert de openbare ruimte en werkt tegelijkertijd in op verspreide maatschappelijke krachten die in nieuwe verbanden worden gebracht.

Wat zijn nu ‘ingenieurende’ maatregelen? Kleine verboden, plaatsing van stoepen, bakken, borden, bestratingen, neerzetten en weghalen van banken, experimenten met verlichting, experimenten met sfeer, het plaatsen en weer weghalen van schuilmogelijkheden, aanleggen en weghalen van voetgangersgebieden, autogebieden, inrijverboden, wel of niet parkeren, vergunningen en tarieven voor horeca, uithangborden, reclameborden, regelen van bezoekersgroepen etc, etc. Al deze maatregelen treffen op handelende individuen, oefenen er een ‘kracht’ op uit en lokken reacties uit. Op deze manier worden elementen van ‘staat’ door het gehele mechanisme van individuele gedragingen en gedachten gewoven. In de diepte van dit mechanisme werkt de norm en het welhaast onbewust geworden verlangen om ruimte en gedrag aan die norm aan te passen: normalisering.

Naar mijn mening hebben we dit schema nog niet achter ons gelaten. In het begin van de negentiende eeuw gaf het ‘gesleutel’ aan de openbare ruimte voeding aan de kersverse institutie van de politiek en organiseerde het verspreide maatschappelijke krachten rond de wet. Tegenwoordig zijn daar de inspraak en allerlei andere facetten van het politieke voortraject, waaronder de publieke discussies als deze, bijgekomen. Ook wanneer we kritische ruimten willen gaan maken, rudimentaire ruimten die geschikt zijn om alle vormen van gebruik op te nemen en die in die opname dan hun voltooiing vinden, of ‘betekenisruimten’ waar Betsky voor pleit en die de ruimte van de democratische gemeenschap en de consumptie moeten overstijgen, leggen we rekenschap af aan dit schema. De discussie over de doelmatigheid en de zin, het al dan niet correct gebruikt of betekend worden van de ruimte, leidt altijd weer opnieuw tot een dans om de norm en triggert een praktijk van normalisering die er onophoudelijk naar streeft om ruimtelijke vorm en menselijk gedrag op elkaar af te stemmen.

We spreken in de architectuur niet meer zo vaak over normalisering, maar dat wil niet zeggen dat de organisatorische context, de sociaal ruimtelijke planning en de planologie haar niet kennen. Normalisering; het streven om een toestand of een gedrag in overeenstemming brengen met de norm, is een activiteit die de grenzen van de wet, en daarmee van de politieke democratie overschrijdt. Het regelvermogen van de norm behelst namelijk niet alleen het vastleggen van wat goed en fout is, en wat wel en niet mag, maar spreekt ook uit wat er zijn moet en wat er gebeuren moet op de korte termijn. In afwijking van de wet bevat de norm een op de naaste toekomst gericht imperatief. Tevens stelt ze een maatstaf in voor de beoordeling en het schatten van de waarde en de betekenis van de fenomenen waartoe ze zich verhoudt. Alleen al het publiekelijk poneren van een norm kunnen we opvatten als een strategische interventie in de openbaarheid, die streeft naar een effect op lopende praktijken. De norm is dus het onderwerp en het instrument van krachtmetingen en beïnvloedingen die de context van de politiek overschrijden (want de politiek gaat over de wet) en die desondanks toch 'politiek' zijn; de norm behoort tot het domein van het transpolitieke.

De tekst van Aaron Betsky kent duidelijk zo’n transpolitieke inzet. Ze poneert een norm voor de openbare ruimte van Eindhoven en probeert op die manier gangbare en verspreide waarderingen te beïnvloeden. Het juryoordeel van de prijsvraag voor het Wilhelminaplein is van hetzelfde laken een pak. Ik ben overigens van mening, dat de normalisering niet bewust gezocht wordt, maar het resultaat is van een blinde vlek in het denken die afgedekt wordt door het streven het 'goede' te doen.

Welnu, de kracht van deze normaliseringsmachine, die de openbare ruimte van de stad en het alledaagse gedrag dooradert met elementen van ‘staat’, en ruimte en gedrag op een politiek onverschillige wijze (nl. als uitkomst van complexe en onnavolgbare krachtsverhoudingen) onderwerpt aan steeds weer veranderende normen, is gelegen in haar vermogen om alle impulsen uit haar omgeving te absorberen en de grondslagen ervan te peilen. Op één na: de radicale afwijzing!

Hierin kunnen we dan misschien de autonomie herkennen van het andere  dat misschien ooit eens als in een reflex een stedelijke gebeurtenis kan veroorzaken en zo de openbare ruimte de status teruggeeft waar velen van ons naar verlangen: de ruimte van een vrijheid, van een vrijheid die niet aan banden is gelegd.

           

De openbare ruimte werd in de loop van de negentiende eeuw een institutie, omdat ze in wezen een gepacificeerde oorlogsruimte is. Het is opvallend dat Betsky deze geschiedenis van de openbare ruimte heeft vergeten. De straten en de pleinen van de democratische stad van de negentiende eeuw, de boulevards, de grotere winkelstraten en dergelijke zijn ontstaan toen het voormalige slagveld buiten de vesten, de leegte van het glacis, de ruimte van het zicht en overzicht, geabsorbeerd werd in het volle lichaam van de middeleeuwse stad. Ik denk aan de werken van Haussmann, de Ring in Wenen, het Weena en de Coolsingel in Rotterdam, de Westvest in Delft en de grotere verkeersruimten in Eindhoven. Deze ‘leegmaking’ van de stad begon niet vanuit het democratische centrum, zoals Betsky beweert, maar vanuit de periferie. Ze had haar startpunt bij de treinstations en de ringwegen die op de in onbruik geraakte vestingwerken werden aangelegd. Daarom heeft de verstatelijking ook veel weg van een gestage kolonialisering, die vanuit de rand voltrokken wordt door een omgekeerde vesting.

Wat moeten we in verband met het criterium van de leegte overigens denken van die andere lege ruimten in en bij de stad: het Champs de Mars? En is het niet opvallend dat het ordeningsstreven voortgekomen is uit de technieken van het legerkamp in de vroege jaren van de Republiek der Nederlanden?

Om nerveus van te worden.

Aan de hand van bovenstaande wil ik de volgende regels voorstellen voor een echt goed ontwerpgedrag:

1. Geef uitdrukking aan een gezond wantrouwen tegen het eigen handelen en tegen teksten die uitspreken wat het goede is.

2. Wees voorzichtig met het veranderen van de stedelijke openbare ruimte om nog bestaande resten van symbolische relaties te beschermen.

3. Opereer op een onverantwoordelijke wijze in de transpolitieke ruimte van de norm, en hoedt je ervoor om inkijk te bieden in de motieven van je handelen.

 

In het licht van deze criteria wil ik aandacht vragen voor het plan 58, HUISKAMER, vanwege zijn radicale behoedzaamheid en het plan 73, Lightcel on, vanwege zijn minimalisme en zijn wantrouwen tegen status en design. 

Tegelijkertijd wil ik ook het plan 77, 161/383 noemen, niet omdat het de discussie wil peperen, maar omdat het de strijd om de norm aanzwengelt op een ‘onverantwoorde(?)’ wijze.



[1] Wim Nijenhuis, Een Wolk van Duister Weten, Geschriften over StedenbouwGeschiedenis, Eindhoven, 2003

© 2010/06/07