er is iets in de kamer. maar de kamer is leeg. vindt roman, terwijl hij met de ogen wijdopen de kamer rondkijkt. er kruipen plinten over de vloeren langs de muren, terwijl een pvc-buis daar overheen gebogen is om een stopcontact op geringe hoogte te bereiken. op het plafond lopen er stralen licht van rechts naar links van een auto buiten die voorbij rijdt. aan het eind, tegen de muur tellen ze elkaar op en sterven weg. net als het uitdovende geluid van de auto. twee meisjes fietsen voorbij. ze lachen als ze in het donker van de gladde weg het donkere en onregelmatige zandpad op fietsen. onder hun fietslamplicht zien de oneffenheden eruit als grote kloven en gaten in hard graniet. ze verstevigen de greep op het stuur en wachten op de klappen. roman schuift het gordijn weg en ziet een schemering van de ochtend in aantocht. roman is de enige die nog wakker is. misschien zijn er ergens nog mensen tanks aan het schoonmaken in vreemde melkfabrieken in plaatsen van het land waar het accent zo gemaakt anders in de oren klinkt. waarschijnlijker en killer vindt roman het dat ze net zijn opgestaan en aan een nieuwe dag beginnen. roman hoort en voelt een mug tegelijkertijd. hij mist hem. vader: - ik heb er nog eens over nagedacht, maar ik ben er zeker van. ik heb me vergist. je moet niet roman heten maar oman. dat was het. dat is veel beter. vind je het erg om voortaan oman te heten? dat is eigenlijk wat ik bedoelde. oman is toch veel mooier dan roman, dat is toch geen naam. zeg nou zelf. zoon: - nee. ja, dat is goed