een kleine plaats ten zuiden van Arch.--een gehucht werkelijk--met een kerk en eenige huizen, tenslotte vond ik den rentmeester, logerend bij zijne zuster. Ik vond hem in een deplorabele toestand. Geheel ontredderd was hij gevlucht voor mijn toorn. Hij vreesde 't allerergste, kennelijk. Ik sprak niets van het geen ik hem alles te verwijten had, doch vroeg hem zonder verdere omwegen naar datgene wat mij zo na aan het hart lag: de verblijfplaats van Mischa, zo hij dien kende. Hij keek mij daarop zo mogelijk nog verschrikter aan en zijn zuster begon heiligen aan roepend waar ik nog nooit van gehoord had en haar schort te verfrommelen en te bevochtigen met haar mondvocht en tranen van ogenschijnlijk zelfmedelijden. Ik liet mij door dit alles niet van de wijs brengen en drong aan. Hij vertelde dat hij haar gezien had op de weg naar het jachtslot van de Dzj.'s, op een gezadeld boerenpaard had zij hem aangekeken alsof hij de duivel zelve was--al moet ik er bij zeggen dat hij het zelf wat omslachtiger formuleerde maar hier kwam het wel op neer--en dat ze daarop ervandoor gestoven was om dergelijke argumenten