mateor.eu/(y)/mnews

bij het verlaten van mijn huis trof ik vl. aan

Zijn kleren geheel aan flarden gescheurd, geen droge draad meer aan zijn lijf, zijn adem stinkend naar spiritus. Zo leek het althans, want een mens associeert de lucht van alcohol op zoo een frisse ochtend als deze, met die vorstblauwe lucht en de schrobbende meiden overal op de stoep met spiritus, en niet met likeuren, taften en porten zoals men dat wel des avonds zou doen. Ondanks mijn haast ontfermde ik mij over de ontdane Vl., het scheen mij toe dat hij ijlde en met dien koortsen kon ik hem niet op de stoep van mijn hospes, de oude voorhoeve was dat toen, laten liggen. Met veel moeite kreeg ik hem naar boven, ontkleedde hem en legde hem in mijn bed. Hij was nog steeds niet bij zinnen, het leek alsof zware koortsen hem gekluisterd hielden in zijn slaap, terwijl hij zelf om het hardst strijd leverde zijn bewustzijn te hergewinnen. toen ik de kachel opstookte, en er extra droog hout ingooide om hem sneller te laten trekken, ik zat aldus met de rug naar het bed toe, begon Vl. te schreeuwen. eerst wist ik niet wat ik nu met hem aan moest vangen. Ja, ik herinner me zelfs dat ik boos op hem werd, omdat hij mijn vroege afspraak met de koster, dien ochtend zou hij me het beroemde orgel laten zien, in het honderd gestuurd had, en mij geen ruimte liet dien betreffenden koster zelfs maar bericht te zenden. Vl. schreeuwde telkenmale maar zijn eigen naam. "Ik ben het! Vl., Het is goed, ik ben het! Vl.! Vl.! Bedaar nu toch, het is ik!, VL.!" Allengs sprak hij steeds zachter en ving aan te mompelen en te snikken terwijl hij zijn eigen naam bleef prevelen. Ik wist mij met de situatie geen raad. In een dergelijken staat had ik nog nooit een mens aangetroffen! Ondanks het vroege uur besloot ik toch maar om de meid te schellen. Ik vroeg haar de oude Voorhoeve te wekken en daarna zo snel als maar mogelijk een dokter te halen want ik was nu echt bezorgd om de toestand van mijn oude schoolkameraad. De oude voorhoeve kwam na eenige minuten mijn slaapkamer binnen, hij zag er bijzonder slaperig uit, wat natuurlijk niet zo vreemd was, want het was werkelijk vroeg. De goede man vroeg hoe het zo gekomen was. Ik antwoordde hem dat ik het niet wist en vertelde hoe ik Vl. had aangetroffen voor de deur van het huis. Vl. was nu weer rustig en scheen vredig te slapen. "Kent u deze heer?" vroeg oude voorhoeve mij nu. Hij scheen niet erg gelukkige met de hele affaire, zoo een vieze zwerver onder zijn dak, daar kwam men niet licht vanaf, ik zag zijn fronsende blik en begreep zijn argwaan. Ik besloot heer Voorhoeve te vertellen hoe goed ik Vl. kende. "Het is een oude schoolkameraad van mij. Samen zijn we naar de Franse School gegaan in P. Daarna zijn we samen naar H. gegaan om dezelfde studie te volgen, we hebben zelfs twee naast elkaar liggende kamers gehuurd, met een gemeenschappelijk vertrek." Zo vertelde ik de oude Voorhoeve. Vl. was een goed student die veel respect genoot bij zijn leraren en zijn medestudenten. Altijd haalde hij de hoogste cijfers, hij was dan ook primus van ons jaar. Hij had gevierd kunnen zijn maar hij werd het niet, als uit vrije wil, zo scheen het, bewaarde hij afstand tot zijn collegae en tot zijn leermeesters, die toch op grond van zijn studieresultaten, bijzonder met hem ingenomen waren. Eerst dacht ik dat het was dat hij toch niet zo goed kon aarden in de grote stad. Zijn geest verwijlde veelal ergens anders. Iets leek hem voortdurend bezig te houden. Er kwamen verscheidene berichten en brieven van zijn familie maar ze hadden geen goede uitwerking op hem. waar anderen verheugd waren en opgevrolijkt door de berichten van thuis, leek hij bij elke brief, die meen ik, door zijnen zuster afgezonden werden, een slag te verwerken hebben, waar hij zich maar moeilijk van kon herstellen. Hoewel het leed van zijn gezicht droop beweerde hij eenvoudig dat er niets aan de hand was met hem, en, zoo verduidelijkte hij mij, zijn familie was zijn aangelegenheid en niet de mijne. Daar had hij natuurlijk gelijk in. Maar ik kon het maar moeilijk verdragen om mijn goede vriend zo te zien wegkwijnen. Na enige maanden, zijn plaats als primus was hij reeds lang kwijt, en hij liep gevaar de studie eerloos te moeten afbreken, was er niet veel meer over van hem dan een schim. geldgebrek had hij niet, maar hij verteerde alles in de vele kroegen die H. rijk is. Hij was gewoon om des morgens, alvorens te eten al een fles rode wijn te laten halen en te ledigen. Daarop kleedde en wies hij zich en toog naar de oude stad, waar hij meestentijds niet voor middernacht van terugkwam, geheel beschonken en met een lege beurs. Ieder sprak van hem, en verscheidene professoren, aangedaan als ze waren door zulk een verkwisting van rijke talenten, trachtten hem te overreeden zijn dronkemansbestaan op te geven en zich weer aan de studie te wijden, maar tevergeefs. Ook ik kon hem nauwelijks meer aanspreken. Hij had een afstand tussen ons geschapen die niet meer te overbruggen viel. Zijn gebrek aan vertrouwen in mij krenkte me, maar het diepst verwondden mij zijn woorden. Hij had zich in die paar maanden ontvouwen tot een bittere en harde sarcast en cynicus die alle waarden en deugden waar een zedelijk mens bij leeft wist te verdraaien en te belachen. Ik herinner nog die morgen waarop ik het huis verliet met al mijn bezittingen, want ik had een ander verblijf gezocht omdat met zoo iemand in de nabijheid onmogelijk valt te leven. 'Zo je gaat?' Zei hij, met een fles in zijn hand, hij dronk toen al niet meer uit glazen, maar zette de fles direct aan zijnen lippen. 'Je laat je oude vriend in de steek?' en hij lachte daarbij honend. 'dat is het niet,' zei ik 'gij zuipt als een arbeidsloze en leeft als een beest en ge maakt uzelf zo te schande. Maar dat laat me koud. Het is dat gij mij geen vertrouwen schenkt. Ik merk dat er weinig over is van die ouden vriendschap waar ge nu zo prat op gaat. waar is Uw gevoel voor waarden toch, mensch?' en daarop gaf hij mij een een bijzonder raadselachtig antwoord, waar ik tot op heden nog niet van te weten ben gekomen wat hij ermee bedoelde. 'Gij weet het allemaal zo goed.' Zei hij. 'Hoe men behoort te leven, de deugden die een mens zijn maat geven en dat soort onzin. Nu laat ik u dit vertellen, kameraad, Het leven is zo eenvoudig niet. Neem mij nu. Gezien de omstandigheden zou ik eigenlijk een bijzonder gelukkig mens moeten zijn. Het fortuin was mij gunstig de afgelopen maanden. ik zou mijzelve niet genoeg kunnen prijzen met zoveel geluk en voorspoed. Nu, ik ben niet gelukkig, dat kan ik u verzekeren. Toch ben ik te bang er wat aan te veranderen. Zo beangstigt me de gedachte dat het weinige dat me nog rest alsnog wordt weggenomen.' Nadien heb ik nog maar weinig van hem vernomen. Ik heb de moeite ook niet genomen mij naar zijn toestand te laten informeren, gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen. Ik was zeer ontdaan door zijn gedaanteverandering. Wij gedroegen ons als twee vreemden die enkele keer dat wij ons bij toeval ontmoetten. Dat waren we ook geworden, vreemden voor elkaar. De oude Voorhoeve scheen door mijn herinneringen eerder verontrust dan opgelucht. Af en toe keek hij naar de door koorts gevelde Vl. en luisterde dan met herniewde aandacht naar mijn verhaal. Ik vervolgde mijn verhaal, in een meer opgewekte toonzetting, nu, niet alleen om de oude Voorhoeve te gerieven maar omdat het werkelijk zo geschied was. 'Zo bleef het, voor enige maanden althans. Toen scheen Vl. plotseling zijn zelfbeheersing te hebben hervonden. Hij staakte het kroegenbezoek, verzorgde zich weer met enige aandacht, ja, hij schoor zelfs dien wilde baard af die hij dat jaar gekweekt had, als wilde hij van het hele studentenleven afscheid nemen. Hij bezocht mij, op mijn nieuwe adres op een avond in september. Ik was zeer verrast door zijn bezoek, dat kunt u zich voorstellen. Hij bood mij dan ook zijn verontschuldigigngen aan voor het leed dat zijn gezelschap mij gebracht had. Het was een private kwestie geweest waar hij maar moeilijk overheen kon komen, meer wilde hij er noet over kwijt. Ik was echter al lang tevreden dat hij zichzelf weer onder controle had. Hij zei dat hij genoodzaakt was het studentenleven vaarwel te zeggen, een oom van hem was overleden en zijn familie had beslist dat hij diens landgoederen in het zuiden zou gaan bestieren. Hij had hier nu vrede mee, al scheen het hem maar zeer moeilijk af te gaan. Dat was de laatste keer dat ik hem zag. we namen hartelijk afscheid van elkander en beloofden regelmatig te schrijven. Ik heb sedertdien echter nooit bericht van hem ontvangen.' 'Het is toch een merkwaardige kerel, die vriend van je.' De oude Voorhoeve kon zich een dergelijke levenswandel maar moeilijk voorstellen, laat staan goedkeuren. 'Nu had hij dus een goede betrekking, en zo te zien heeft hij daar ook de brui aangegeven, liever werd hij vagebond en landloper! En om zulke mensen maak jij je druk? Laat ze toch aan hun lot over, er zijn betere mensen die je vriendschap verdienen, jongen!' Ik moet hier wel bij vermelden dat de oude Voorhoeve bezijdens enige reizen naar H., die hij zo snel mogelijk en met veel tegenzin na lang uitstellen ondernam, nog nooit buiten deze stad was geweest. Mensen die reisden, hetzij voor hun werk of hun studie, of hun plezier schaarde hij vrijwel allemaal onder landlopers en zwervers, behalve de keizer natuurlijk. 'Gelijk hebt U, maar het is mijn kameraad, en kan hem moeillijk in de steek laten, waartoe het lot hem ook bestemd moge hebben. Welke draad er voor hem gesponnen wordt.' Wat kon ik anders doen? 'Laat het dan een les voor je zijn en kies je vrienden voortaan voorzichtiger.' De oude Voorhoeve verliet zichtbaar gegriefd de kamer. Hij hield mij stellig voor een groote idioot dat ik met zulke mensen omging maar dat liet mij koud. De git kwam binnen, achter haar aan sukkelde een oude man in een zwart pak, het was de dokter. "Hier is de zieke, dokter' Zei de meid geheel overbodig, want de arts had de zieke allang opgemerkt. Hij ging op de rand van het bed zitten en zuchtte enige malen diep. Ik was bevreesd dat hij nooit aan een onderzoek van de pati nt zou toe komen, zo scheen hij er tegen op te zien. Hij voelde het voorhoofd van de arme Vl., hij telde diens polsslagen en sloeg de dekens terug en beluisterde zijn longen met een hoornen trechter. Daarna legde hij dekens weer goed en stopte Vl. er zodanig mee in dat ik van hem van waaruit ik stond alleen nog maar een lokje haar kon zien, de rest ging schuil onder de dekens. De dokter zuchtte maar weer eens diep. 'B.' Zei ik. 'Wil je niet een kopje koffie gaan halen voor de dokter? Daar zal hij vast wel aan toe zijn.' Ik wilde niet dat de huismeid die zo ongeduldig scheen het verhaal van de zieke in haar huishouden aan anderen mee te delen het oordeel van de dokter te horen kreeg. Met tegenzin verliet ze het vertrek. 'Dokter, het spijt mij bijzonder U zo vroeg te moeten storen, in dit geval zag ik echter geen andere mogelijkheid. Vertelt mij, hoe gaat het met hem?' Zo sprak ik hem toe: 'Het is een goede vriend van mij dien ik vanochtend zo desolaat en zwetend en bevend van de koortsen aantrof op de drempel van de deur.' 'Helaas, mijn beste vriend, ik ben bang dat ik niet zoveel voor uw vriend zal kunnen doen. Hij heeft een zware longontsteking en hij schijnt lichamelijk volledig uitgeput. Als de koortsen beginnen te zakken geef ik hem een goede kans er weer bovenop te komen. Maar zijn gesteldheid is ernstig, laat ik daar duidelijk over zijn.' Ik begreep de oude heer niet zo goed. 'Wat bedoelt u dokter?' 'deze man is ten dode opgeschreven, nog nooit heb ik iemand gekend die een dergelijke inzinking overleefd heeft, het spijt me.' Ik was aangeslagen door dit nieuws, zo ernstig had ik het niet verwacht. 'Is er dan niets dat ik eraan kan doen?' 'Niet dat ik weet, maar zoals ik al zei, als de koortsen wegtrekken geef ik hem een goede kans. Laat hem aardappelsop drinken, en warme geitemelk, dat weert de koortsen en sterkt het gestel. Meer kan ik niet voor hem doen.' Hij pakte de hoorn in zijn tas en voelde nogmaals het voorhoofd van Vl. Ik liet de git vier kruiken in Vl. zijn bed stoppen, en besloot de bij hem te blijven waken. Later die dag kwam de de koster mij bezoeken. In alle opwinding was ik vergeten hem te waarschuwen dat ik verhinderd was. In de toestand was nog geen verbetering, en de brave kon verder ook niets voor mij doen, Vl was orthodox, en het geen zin kaarsen voor hem te branden aan een rooms altaar of een heilige met een latijnse naam. Ik verzekerde de koster dat Vl. het hem niet in dank af zou nemen als hij wist dat men op een dergelijke wijze aandacht aan hem besteedde. Overigens was de koster bijzonder coulant met Vl. en leek hij niet zoveel problemen te hebben met de verzorging van Vl. als de oude Voorhoeve had gehad. Hij beloofde de volgende ochtend langss te komen om te zien hoe de zieke het dan maakte en wenste mij sterkte met Vl.'s beterschap aangezien de zieke zelf niet bij machte was die woorden aan te horen. Er gebeurde die dag verder niet veel, ik besteedde de tijd die ik doorbracht aan de sponde van mijn oude vriend met het schiften van mijn aantekeningen en ordenen van de stukken met volksmuziek die ik in die contreien opgetekend had. Het gaf mij gelegenheid een weinig te reflecteren wat ik eigenlijk aan het doen was. Maanden had ik rond gerreisd door deze arme en onvruchtbare streken. Het scheen mij toe dat de cultuur van deze bewoners der zandgronden net zo armzalig was als de grond die zij bewerkten en net zo eenzijdig als de oogsten die zij er met veel noeste arbeid van af haalden. Ik realiseerde mij dat ik me had laten meeslepen door de flegmatieke aard, de afstandelijkheid van deze eenvoudige mensen. In hun berusting had ik een troost gevonden, in hun stilten een zicht op oneindigheid, in hun jenevers en aardappelstooksels een dubbele bodem. Maar daar, naast het ziekbed van de arme Vl. doorzag ik de ijdelheid van het al, een reusachtige kwaadheid overviel me, en het scheelde niet veel of ik had al die zorgvuldige genoteerde en schoongeschreven liederen verscheurd. Slechts de schroom dat mijn woede-aanval niet passend zou zijn aan het bed van een zieke weerhield me ervan de papieren in een woeste vlaag van verstandsverbijstering te verscheuren en de resterende kwade energie door het breken van een meubelstuk of flinke ruk aan het gordijn bij het raam te laten wegvloeien. Nog goed herinner ik me nu hoe ik dien kwaadheid bij haar naam noemde en me bedacht dat zo niet het kabaal waarmee zij gepaard ging dan toch het daglicht in al volle maar ook striemende glorie de kamer zou binnen komen en de zieke zou kunnen schokken en dat zou wel het laatste zijn wat ik wilde veroorzaken want Vl. scheen juist zo vredig te slapen. Hij ijlde en zweette niet meer, zoals dien ochtend en zijn ademhaling was rustig en regelmatig. Zijn gelaat had reeds een enigszins normaler roze teint. Ik hield mij dus in. Niet zoals men normaal werkelijk inhoudt, zoals men een driest paard tot kalmte sommeert, en haar temt door strakke teugels. Maar als een hevig noodweer, dat met grote snelheid- van de einder gespoedt komt, de hemel verduistert, met aanwakkerende winden, de bomen die gaan striemen en de lichtere onderkant van hun bladeren laten zien tegen de donkere lucht. De groene teint die men overal waar men kijkt ziet, het bestendig rommelen en donderen, de koude die in alles doordringt, en de geur van herfst die nat en klam en het laatste stof neerslaand in veronderstelde druppels de flanken van de neus onzacht treffen. Kortom, de onontkoombare onweersbui met stortregens, die dan op het laatste moment toch overdrijft en zo de lucht laat opklaren. Zo zat ik daar nog, (de ganse dag, verdiept in mijne kommervolle zelfbeklaagende gedachten. het was echter niet omdat ik zoo onfortuinlijk was geweest maar ik zag aan de groeven in het gezicht van mijn vriend dat hij heel wat meer van zijn leven had gemaakt. veel meer beleefd had althans, waarom ik hem benijdde.) die avond, toen mijn vriend vl. weer enige teekenen van leven begon te vertoonen. hij kreunde een weinig en sloeg toen de ogen op. hij trachtte eenige woorden van algemene strekking te uiten doch het gelukte hem niet. hij had niet voldoende adem, wellicht was zijn keel te pijnlijk, waren zijn gedachten te verward. ik legde mijn hand op zijn borst om hem te doen verstaan dat ik hem nochtans begreep en hem alzoo duidelijk trachtte te maken dat het niet noodig was voor hem te spreeken. hij vocht vanonder de laakens een hand vrij en legde die op de mijne als wilde hij dat dien niet van zijn plek bewoog. kortstondig ontwaarde ik bij mijzelve eene aarzeling, eeven voelde ik een reserveering, doch ik begreep terstond dat dien hand hem zeekerheid gaf en liet hem daar liggen. ik moest echter wel mijn zithouding eenigszins wijzigen omdat ik anders die hand daar niet lang had kunnen laten liggen. zoo schuin voorover gebogen, met mijn andere hand rustend op mijn linkerknie. natuurlijk was mijn nieuwschgierigheid groot. hetgeen mijn vriend in deze erbarmelijke lichamelijke en ook, als ik het zoo mag duiden, diens geestelijke toestand gebracht had moest iets buitengewoons zijn geweest. wellicht enkel voor vl., maar daarom waarschijnlijk heel leerzaam voor mij, zoo goed kende ik mijn arme vriend vl. nog wel! dat alles kon wachten tot de toestand van zijn gezondheid wat verbeterd was. als vl. voldoende aangesterkt was zou hij stellig de beleefdheid hebben mij op de hoogte te brengen van de wederwaardigheeden van zijn verval. het is verwonderlijk, wonderwaardig hoe snel men dingen vergeet en hoe angstwekkend sluipend vergeten zaken hun opwachting maken in het portiek der tegenwoordigheid. hun aanvallen op de buste van verzelfgenoegzaamheid zijn wijd en zijd bekend en het bestand verwondert niemand die maar niet zijn verstand verstond. hun vrijheid, verpacht, verknocht is vergeten. de mens is zonder deugd, zonder zin, zonder weten. de volgende ochtend bezocht mij de meid bij mijn ontbijt. zij verraste mij, door niet uit te wijden over de zaken van huishoudelijke aard waarvan ze wist dat ik er een hartsgrondelijke afkeer van had over lastig gevallen te worden en zij dan ook niet na kon laten binnen de regels der conventie mij te vitten en te traaiteren met stoffige en soppige details, nee, het was wat anders. bij het wassen der kleeren vl.'s had zij bij het leedig en der zakken in een mouwzak van de frock een portfolio gevonden die zij mij hierop bracht, wetende dat ik hooge waarde in deze zaaken legde. ik begreep hieruit dat deze portfolio geen geld bevatte doch papieren en de zulke die de meid geen waarde leek te hebben. ik besloot ook toen toch een serieus gesprek met de oude voorhoeve te voeren over de dagelijkse gang van het huishouden. ik ontvouwde het portfolio en herkende terstond het magere handschrift van vl. op de bladeren die erin gevouwen zaten. het moeiljk te ontcijferen handschrift scheen neergeschreven in haast, doch met grote nauwkeurigheid, want geen der woorden die ik zoo vluchtig las waren afgekort. daartussen merkte ik een blad dat niet gelijk was aan de anderen. het was ook van een andere formaat, een quarto, terwijl de anderen folio waren. het was duidelijk niet door vl. geschreven. ik overwon mijn schroom om intiemer kennis te maken met het schrijfsel, want, zoals ik voor mij zelf redeneerde, het zou licht kunnen werpen op de omstandigheden van de arme vl. en misschien kon ik hem ermee van dienst zijn. de hele affaire is nu alweer zo lang geleden dat ik nu niet aarzel het ook aan u kenbaar te maken, daar ik nu weet dat ook vl. dit zo gewild zou hebben. Het schrift, zoo te zijn geschreven op het blad, gescheurd uit een schoolschrift scheen een schrijfoefening te zijn. althans, dat dacht ik in eerste instantie. "...en zal zij doodgaan, zal wreed vuur die stralen verspillen die zoveel harten in vlammen zette? heeft zij geen kracht zelfs dood met liefde te moorden? nee, zelfs de koude dood verteerd door heet verlangen, zoekt haar te plezieren (waar plezier zelf slechts slaaf is)..." ik was geschokt en verwonderd door deze tekst. het leek morbide maar was het toch eigenlijk niet. het was in ieder geval duidelijk dat vl. dit niet geschreven had. het leek mij eerder te zijn geschreven door een vrouw, zoo net en met veel aandacht zooals alleen een jonge vrouw of een meisje die kan opbrengen als zij volledig schijnt op te gaan in de taak die men haar opgeeft, geen oog meer hebben voor iets, of wat dan ook om heen, hoe onbenullig de opdracht ook moge wezen. maar wat een vreemd stuk om aan een jonge vrouw te geven om in het net te schrijven. welke zieke geest laat zoiets toe? 

(y) mnews